Moord in café Gloerich te Hasselt.
Een dramatisch voorval in de
voormiddag van vrijdag 29 september 1916 bracht het anders zo
rustige Hasselt in rep en roer en bleef daarna nog lang het
gesprek van de dag. Het begon in het caé Gloerich bij het
tramstation, waar de uit Kampen afkomstige Egbert van den
Belt , de 29-jarige schipper van een rijnaak uit
Mühlheim aan de Ruhr nietsvermoedend een borrel zat te drinken.
Aan een ander tafeltje zat Johannes van den Heuvel
, 20 jaar oud, die bij Van den Belt als knecht in dienst geweest
was, maar enige tijd daarvoor bij hem was weggelopen, omdat er
ruzie zou zijn ontstaan over een bedrag van 28 gulden dat hij
nog van de schipper tegoed zou hebben. Verder bevonden zich in
het café nog een sleepbootagent en een andere varensgezel.
Om kwart voor twee stond Johannes van
den Heuvel plotseling op, haalde een Browning uit de zak en
riep: “Dit is de laatste borrel die je drinkt, schipper!”. Bij
deze woorden legde hij aan op van den Belt en schoot hem in het
achterhoofd. De schipper viel onmiddellijk dood neer. Daarna
richtte hij de loop van de browning op zijn linkerslaap en trok
af. De ijlings ontboden dokter Van der Hoeven kon
van beide personen slechts de dood constateren. De twee lijken
werden door de omstanders voorlopig naar de stal van Gloerich
gebracht.
Zoals begrijpelijk is, verwekte het
gebeuren een geweldige opschudding ter plaatse. Voor het café,
waarin het drama zich had afgespeeld, ontstond een mensenmassa
die het geval druk ging bespreken.

Ook voor het gemeentehuis dromden de
mensen samen. De 61-jarige veldwachter Remmelt van den
Berg , die de Browning in beslag genomen had, stond in
het middelpunt van de belangstelling en zo werd er ook gesproken
over de mogelijkheid of het wapen nog geladen was of niet. De
veldwachter, die van het laatste overtuigd was, wilde dit de
omstanders tonen, doch toen knalde er plotseling een schot.
Verschrikt sprak de veldwachter tegen
zijn 61-jarige plaatsgenoot Roelof Hoogenkamp de
historische woorden: “Schiet ik oe?”. Deze antwoordde: “Ja!”,
zeeg ineen en heeft daarna geen levensteken meer gegeven,
nauwelijks een kwartier nadat hij zelf behulpzaam was geweest
bij het wegdragen van de lijken van de beide schippers. Het lijk
van Hoogenkamp, die deze dag voor de gemeente aan het turfdragen
was geweest, werd eerst het gemeentehuis binnengedragen en later
op last van justitie naar Zwolle overgebracht. De lijken van de
twee schippers werden later naar het dodenhuisje op de algemene
begraafplaats vervoerd.
Algemeen had men hier te doen met de
families van de slachtoffers, doch ook met de alom
gerespecteerde veldwachter, die aan het gebeurde geen schuld
had, maar hoogstens onvoorzichtigheid als gevolg van
onbekendheid met het wapen kon worden verweten.
De veldwachter Van den Berg had in het café de Browning (een pistool) in beslag genomen en het magazijn verwijderd. Door zijn onbekendheid met dit type wapen moet hij over het hoofd hebben gezien dat er zich nog een patroon in de kamer bevond, omdat het wapen kort daarvoor was gebruikt. Toen het (derde) schot geheel onverwacht afging, raakte de veldwachter geheel overstuur. Een arts verklaarde later dat het goed voor zijn zenuwen zou zijn wanneer hij een paar weken uit Hasselt zou gaan. Hij heeft zelf zijn ontslag aangeboden, eervol maar gedwongen. Hij was bijna 29 jaar veldwachter te Hasselt: van 18-01-1888 tot 30-10-1916. Zijn tractement bedroeg 350-400 gulden per jaar. De laatste jaren van zijn leven woonde hij met zijn vrouw in Lochem, waar hij in 1931 op 76-jarige leeftijd overleed.
